Sporenelementen en mineralen
Sporenelementen zijn levensnoodzakelijk. Het zijn mineralen die in kleine hoeveelheden essentieel zijn voor het goed functioneren van alle lichaamsfuncties.

Sporenelementen en minerale stoffen.
Het grote onderscheid tussen beide groepen wordt gemaakt door een combinatie van 2 factoren: het inmengingspercentage en de functionaliteit. Sporenelementen worden per definitie op ppm-niveau (g/ton) toegevoegd, terwijl minerale stoffen in kg/ton ingemengd worden. Deze laatste producten hebben ook een belangrijke functie als bouwsteen (skelet, eischaal, ...) Sporenelementen zijn essentiële mineralen die in kleine hoeveelheden de essentiële enzymatische omzettingen ondersteunen die nodig zijn voor het goed functioneren van het metabolisme.

 

 

SPORENELEMENTEN
Wanneer grondstoffen te weinig beschikbare mineralen aanbrengen, moeten ze dus toegevoegd worden. Elk sporenelement kan in verschillende chemische vormen (zouten) toegevoegd worden. Belangrijk is dat een goede evaluatie gemaakt wordt van de biologische beschikbaarheid van de producten, de mengeigenschappen en de milieu-effecten (zware metalen, toxiciteit, ...) van de toevoegingen. De recentste aanpassingen omvatten het gebruik van chelaten in de veevoeding. Deze chelaten hebben een zeer hoge biologische efficiëntie, hebben een duidelijk fysiologisch voordeel op de anorganische mineralen, en bieden ook mogelijkheden nu er zowel vanuit mestverwerking als vanuit milieudruk aangedrongen wordt om het gebruik van sporenelementen te verlagen.

Toegelaten zijn volgende sporenelementen:

opsommingsteken

IJzer onder de vorm van fumaraat, citraat, carbonaat, chloride, oxide, sulfaat (hepta- en monohydraat), lactaat en chelaat van aminozuren

opsommingsteken

Jodium onder de vorm van calciumiodaat (hexahydraat en anhydraat), natriumiodide, kaliumiodide

opsommingsteken

Kobalt onder de vorm van acetaat, hydroxidecarbonaat, chloride, sulfaat (mono- en heptahydraat), nitraat

opsommingsteken

Koper onder de vorm van acetaat, methionine, hydroxide carbonaat, chloride, oxide, sulfaat (penta-en monohydraat), koperlysine en chelaat van aminozuren

opsommingsteken

Mangaan onder de vorm van carbonaat, chloride, monowaterstoffosfaat, oxide, sulfaat (mono en tetra), chelaat van aminozuren

opsommingsteken

Zink onder de vorm van lactaat, acetaat, carbonaat, chloride, oxide, sulfaat (mono- en heptahydraat), chelaat van aminozuren

opsommingsteken

Mobyldeen onder de vorm van ammonium- en natriummolybdaat

opsommingsteken

Selenium onder de vorm van natriumseleniet, natriumselenaat

 

Functie van Sporenelementen:

Koper
Koper vormt een belangrijk bestanddeel van een groot aantal enzymen die bij de stofwisseling betrokken zijn. Daarnaast is koper betrokken bij o.a. de bloedvorming, de pigmentvorming, de structuur en de vorming van het haarkleed. Verder heeft een kopertekort een negatief effect op de vruchtbaarheid.

Jodium
Jodium is een bestanddeel van de schildklierhormonen, die de intensiteit van de stofwisselingsprocessen regelen. Een voldoende hoeveelheid jodium is vooral van belang voor jonge dieren, drachtige dieren en hoogproductieve dieren tijdens de lactatie. Zelfs een klein tekort aan jodium kan al een groeiachterstand of een lagere melkproductie tot gevolg hebben.

Selenium
Selenium maakt in het dier deel uit van het GSH-Px enzym. Dit enzym is betrokken bij de bescherming van lichaamscellen tegen de negatieve effecten van oxidatie. Bij een tekort aan
selenium wordt de afweer van het dier lager omdat de witte bloedlichaampjes slechter bestand zijn tegen giftige stoffen. Ook de vruchtbaarheid wordt negatief beïnvloed. Na het werpen is er een grotere kans op baarmoederontsteking en problemen met nageboorte.

Kobalt
Kobalt is nodig voor de groei van bacteriën. Tevens zorgt het voor sterke en regelmatige eisprong en een hoger drachtigheidspercentage. Bij een tekort aan kobalt kan de maagactiviteit
dalen door een slechtere groei van de maagbacteriën. Hierdoor daalt de concentratie maagbacteriën en krijgt het dier een tekort.

Zink
In een groot aantal enzymen speelt zink een rol. Deze enzymen zijn vooral betrokken bij de groeiprocessen en het functioneren van de voortplantingsorganen. Zink heeft verder een
duidelijke invloed op de eetlust en voederefficiëntie. Bij een tekort aan zink worden vooral de groeiprocessen en het functioneren van verschillende organen aangetast.

Mangaan
Mangaan is een bestanddeel van enzymen die vooral bij de vorming van kraakbeen en beenderen betrokken zijn, het functioneren van de voortplantingsorganen en de energievoorziening in het lichaam.


MINERALE STOFFEN
Als minerale stoffen zijn vooral volgende groepen belangrijk:

opsommingsteken

Voederfosfaten (Fosfaatbron)

opsommingsteken

Zout (Natriumbron)

opsommingsteken

Krijt (Calciumbron)

opsommingsteken

Magnesium (Magnesiumbron)

opsommingsteken

Fosfaten

Fosfor is vitaal in de diervoeding. Na calcium is het het meest overvloedig aanwezige element in het lichaam van de dieren. Het speelt een belangrijke metabolische rol en heeft meer fysiologische functies dan welk ander mineraal ook. Deze omvatten fundamentele processen zoals de ontwikkeling en het behoud van skeletweefsel, groei, eetlustcontrole, energietransfer en vruchtbaarheid. Gevolgen van fosfortekort voor de dieren omwille van onvoldoende opname van beschikbaar fosfor zijn verlies van eetlust en onvoldoende groei, zwakke poten en beendergebreken, lagere eiproductie, lagere vruchtbaarheid en gevoeligheid voor ziekten zoals osteomalacie, rachitis, achterhandsverlamming.

Natrium en zout
Onder zout verstaat men Natrium, gebonden aan Chloor. Daardoor wordt de toepassing in de voeding meestal samen besproken. Na heeft niet echt een specifieke functie in het lichaam, maar is toch essentieel voor de normale weefselvorming. Het is vooral belangrijk voor het osmotisch evenwicht van het intercellulair vocht en is een belangrijk element van buffersystemen. De fysiologische eigenschappen van Na+ zijn het effect op de activiteit van de hartspier en van het zenuwstelsel. Na-gebrek: De belangrijkste symptomen van natriumgebrek zijn abnormale eetlust, borstelig en ongezond haar, lagere productie, uitputting en slechte groei bij jonge dieren. De opname van eiwit en energie vermindert, melkvetgehalte en melkproductie daalt, dieren herkauwen minder goed en de vruchtbaarheid daalt. Alle dieren verdragen een extra hoeveelheid zout op voorwaarde dat ze voldoende water ter beschikking hebben. Overdosis is waarneembaar door dorstigheid, veel urineren, vloeibare mest, oedeem, overgeven, en kan leiden tot de dood. De meest voorkomende Na-bronnen: Meestal wordt gebruik gemaakt van Natriumchloride. Indien een teveel aan chloride een probleem zou stellen, wordt ook natriumbicarbonaat gebruikt. Bicarbonaat heeft bij runderen tevens een pensstabiliserende werking.

Calcium en krijt
Calcium is een element dat in de natuur veelvuldig voorkomt. Het wordt in de voeders toegediend onder verschillende vormen: calciumcarbonaat, calciumsulfaat, dolomiet, calciumfosfaat. Het grootste gedeelte van calcium in het lichaam (99%) vindt men terug in de beenderen. Vooral bij jonge dieren wordt er zeer veel calcium gefixeerd in de beenderen. Calcium in de beenderen wordt ook gebruikt als een reserve wanneer dieren hoge calciumbehoefte hebben. Een resorptie heeft dan plaats. Dit verschijnsel is goed gekend bij legkippen (10-12 % van de totale massa bestaat uit labiel uitwisselbaar calcium). Metabolische functies: Ca-ionen hebben een meervoudige metabolische functie. Zij komen o.a. tussen als activator in enzymatische processen, bij de vorming van proteïnen, beenderweefsel, melk en eischalen. Calciumgebrek: Zowel bij een tekort als een teveel aan calcium worden biochemische veranderingen waargenomen. Calciumtekort veroorzaakt rickets bij jonge dieren, waarneembaar door slechte groei, slechte voederopname, vervormd skelet en moeilijke gang. Verder osteomalacia en osteoporosis. De eischaalkwaliteit van eieren vermindert. Een overvloed aan calcium kan tot dezelfde gebreken leiden en tot slechtere productiviteit en reproductiviteit. Het effect hiervan kan vermeden worden door het evenwicht Ca/P te eerbiedigen (1,5 tot 2). De oorzaak hiervan is een secundair gebrek aan fosfor, magnesium, zink, koper en andere micro-elementen door lagere absorptie in het verteringskanaal.

Magnesium
Magnesium komt in de natuur voor, voornamelijk onder de vorm van carbonaat (bv. Dolomiet), silicaat, sulfaat en chloride. Meer dan 200 magnesiumverbindingen zijn gekend. Zoals P en Ca komt ook Mg meestal voor in het beenderweefsel. Snelle groei van beenderen gaat gepaard met een hogere opname van Mg. Dieren nemen Mg vooral op langs de plantaardige grondstoffen waarin Mg gebonden is aan proteïnen, anionen van organische zuren, chlorophyl en phytine. Andere Mg-bronnen zijn magnesiumkalk, krijt en fosfaat. Het Mg-metabolisme is gekenmerkt door grote endogene Mg-uitscheiding via speeksel en in de darmen. De absorptie van Mg lijkt daarom eerder beperkt. Metabolische functies: Magnesium heeft een belangrijke functie op intracellulair niveau (transfer door membranen). Het is eveneens een activator bij enzymatische systemen en bij polymerisatie van DNA en RNA. Het werkt bovendien in op het zenuwstelsel en de spieren. Zoals alle mineralen speelt het ook een rol, zij het beperkt, in de vorming van beenderweefsel. Mg-gebrek: Kuikens sterven na enkele dagen indien geen Mg in hun dieet aanwezig is. Biggen vertonen spasmen en gestoord zenuwstelsel bij gebrek aan Mg. Vooral bij runderen veroorzaakt Mg-tekort problemen rondom de geboorte en heeft het een belangrijke rol bij kopziekteverschijnselen (spasmen/gestoord zenuwstelsel).

« Terug naar uitleg voedingsstoffen